submenu

Bernadette Zarzecki-Maes, directrice Notre-Dame - 28/03/2018

‘Tweetaligheid is vanzelfsprekend voor mij’

École Notre-Dame is een van de twee Franstalige basisscholen die Rode rijk is. Toch wil directrice Bernadette Zarzecki-Maes er alles aan doen om haar leerlingen het Nederlands zo goed mogelijk onder de knie te laten krijgen.

Naast de lesuren Nederlands, die in het vaste lessenpakket zitten, maakt ze ook gretig gebruik van het aanbod schoolvoorstellingen en workshops voor anderstaligen die in de Boesdaalhoeve op het programma staan.

Hoe lang ben je al directrice van deze school?


Zarzecki-Maes (Z-M)
: ‘Het is mijn dertiende schooljaar als directrice. Daarvoor stond ik 25 jaar in een Brusselse middelbare school als leerkracht Nederlands en godsdienst. De stap naar een directiefunctie kwam er veeleer toevallig, toen kennissen me vertelden dat École Notre-Dame een nieuwe directeur zocht. Bovendien was ik op dat moment pas weduwe geworden. Ik was nog jong en had nood aan een nieuwe uitdaging. Anders zou ik me te veel aan mijn vier kinderen vastklampen.’

Vanwaar jouw band met het Nederlands?
Z-M: ‘Ik heb een Nederlandse moeder en een Antwerpse vader. Het Nederlands is dus mijn moedertaal. Mijn papa was bovendien nogal Vlaamsvoelend. Hij heeft er altijd op gehamerd hoe belangrijk de kennis van het Nederlands was. Daarnaast heb ik als kind lang in Afrika gewoond, waar ik les volgde in het Frans. Voor mij is tweetaligheid dus altijd vanzelfsprekend geweest. Ook op school switch ik voortdurend tussen beide talen. De contacten met het ministerie verlopen in het Nederlands. Met leerlingen, leerkrachten en ouders spreek ik Frans.’

Vanaf welke leeftijd krijgen de leerlingen bij jou op school Nederlandse les?
Z-M: ‘Als Franstalige school in een faciliteitengemeente mogen we pas officieel Nederlands geven vanaf het derde leerjaar. Dat is zo bepaald door het ministerie. Vanaf de laatste kleuterklas proberen we de kinderen wel spelenderwijs met de Nederlandse taal te laten kennismaken.’

‘In het derde en vierde leerjaar krijgen de leerlingen vier uur Nederlands per week, in de twee laatste jaren van de lagere school loopt dat op tot acht uur per week. Ik ben ervan overtuigd dat de kinderen een goed taalniveau hebben als ze de school verlaten. Al is dat vooral een passieve kennis van het Nederlands. In klasverband is het niet altijd gemakkelijk om een taal actief te oefenen.’

Komen de leerlingen ook buiten de schoolcontext in contact met het Nederlands?
Z-M: ‘Het vijfde leerjaar gaat elk jaar een week op zeeklassen. Ik sta erop dat alle  monitoren Nederlands spreken met de kinderen. Al is dat niet altijd evident. Soms hebben ze immers een prominent West-Vlaams accent dat voor onze leerlingen niet goed verstaanbaar is.’ (lacht)

‘We doen er alles aan om de kinderen op zo veel mogelijk manieren met het Nederlands in contact te brengen. Als we naar het zwembad gaan, vragen we dat de badmeesters Nederlands met hen praten. Ik raad ouders ook aan om hun kinderen naschoolse activiteiten in het Nederlands te laten volgen. Kinderen die dat doen, krijgen de taal goed onder de knie.’

Hoe ben je destijds in contact gekomen met de Boesdaalhoeve?
Z-M: ‘Op een dag kreeg ik een folder van de Boesdaalhoeve in de bus. Ik was meteen gecharmeerd door die prachtige hoeve en vroeg me af of ik ze kon bezoeken.(lacht)

Pas later vernam ik dat de hoeve ook dienst doet als gemeenschapscentrum. Ik vind het fantastisch dat de Boesdaalhoeve toneelstukken programmeert die op maat van anderstaligen geschreven zijn. Intussen zijn die schoolvoorstellingen een vaste afspraak voor onze leerlingen. Ook de creatieve workshops vallen altijd in de smaak. Dit jaar was er eentje rond stripverhalen, vorig jaar leerden de leerlingen zelf een filmtrailer maken. Ze moesten niet alleen elkaar filmen, maar ook dialogen opbouwen in het Nederlands.’

Voelen jullie concurrentie van de Vlaamse scholen in de gemeente?
Z-M: ‘Dat kan ik niet ontkennen. We voelen dat veel Franstalige ouders geneigd zijn om hun kind in te schrijven in een Nederlandstalige school. Net daarom willen we graag benadrukken dat onze leerlingen hier afzwaaien met een goede basiskennis van het Nederlands.’

Is er in Rode overleg tussen de Nederlandstalige en de Franstalige scholen?
Z-M: ‘De gemeente brengt regelmatig alle directeurs van de Rodense basisscholen samen om te beslissen over dingen die ons allemaal aanbelangen. Daarnaast organiseren we soms gezamenlijke activiteiten. Om het einde van de Eerste Wereldoorlog te herdenken, brachten we alle leerlingen van onze lagere scholen samen. De kinderen hadden vier liedjes ingestudeerd: twee in het Nederlands en twee in het Frans. Dat was een fijne ervaring, zowel voor de leerlingen als voor de leerkrachten.’

De laatste jaren is immersieonderwijs in ons land aan een opmars bezig. Droom je daar ook van?
Z-M: ‘Een echte immersieschool waar leerlingen bepaalde vakken in een andere taal onderwezen krijgen, is in een faciliteitengemeente helemaal uit den boze. Ik heb daarvoor twee jaar geleden nog met het ministerie gebeld, maar daar was het antwoord: Als Franstaligen Nederlands willen leren, moeten ze maar naar een Nederlandstalige school gaan. Terwijl ik ervan overtuigd ben dat wij ideaal gelegen zijn om zo’n taalbadschool te worden.’

Zie je jezelf ooit nog een andere job uitoefenen?
Z-M: ‘Toen ik hier dertien jaar geleden begon als directrice, wist ik eigenlijk niet goed wat mij te wachten stond. Bovendien had ik altijd les gegeven in het secundair onderwijs, wat toch een heel andere wereld is. Maar intussen voel ik me hier als een vis in het water. École Notre-Dame is een goed draaiende basisschool met 324 leerlingen, waar leerkrachten elke dag het beste van zichzelf geven. Bovendien is mijn takenpakket als directrice zo gevarieerd dat het onmogelijk is om mijn job beu te geraken.’

 

Tekst: Heidi Wauters
Foto: Tine De Wilde

Uit: Buurten april 2018